Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Van de BKR, de WWIK naar het huidige competitieve systeem waar slechts een enkeling in kan functioneren. In hoeverre fungeert het fenomeen 'talentontwikkelingsbeleid' – net als de term ‘de creatieve sector’ zelf – zeker na de crisis en de bezuinigingen als façade van dit afbraaksysteem? Het talentdiscours, afkomstig uit de wereld van de management consultancies zoals McKinsey waarbinnen ‘talent’ als ‘nieuwe olie’ werd gezien – en bestendigd door Richard Florida met The Rise of the Creative Class – heeft zich volgens Te Velde in rap tempo binnen cultuurbeleid en de creatieve industrie verschanst. Meetbaarheid, investering, competitie, impact werden daarbij steeds belangrijker. Over creatief talent wordt vaak in termen van investering gesproken; de groeibriljant die ‘iets’ gaat opleveren. Geld of ‘sociale impact’. Niet zo gek dus dat talent altijd ‘jong’ moet zijn: alleen zo kan het rendement worden geoptimaliseerd.

Competitief systeem

‘Talentontwikkeling – het klinkt zo nobel, maar wat zit erachter? Ik vond het interessant om te kijken hoe dat begrip ‘talent’ in zo’n korte tijd zo belangrijk is geworden in het Nederlandse cultuurbeleid,’ vertelt Te Velde. ‘Hoe genormaliseerd het is geraakt, terwijl er twintig jaar geleden nog een heel ander discours was over ondersteuning van kunstenaars, ontwerpers en creatieven. Welke implicaties heeft dat voor hoe we over de ontwikkeling van kunstenaars en ontwerpers denken? En welke vormen van cultuur worden überhaupt herkend als Cultuur? Wie wordt herkend als talent en wat is daarvoor nodig? Hoe precair is dit systeem en hoe bevoorrecht moet je zijn om hierbinnen succesvol te kunnen zijn?’ De culturele wereld is klein en kent een aantal actoren – het onderwijs, de fondsen, musea, presentatie-instellingen – die bepalen wat kwaliteit is, wat relevant is en in welke taal dat wordt gearticuleerd. Zeker de fondsen doen hun best om de selectie van talent zo objectief mogelijk te maken, benadrukt Te Velde. ‘Ze zijn zich heel bewust van hun verantwoordelijkheid voor het verzorgen van een eerlijk proces. Maar er wordt veel te weinig gesproken over de blinde vlekken die er bestaan. Wie kunnen zich handhaven binnen dit systeem van competitie?’

‘Als je bij het Stimuleringsfonds wordt uitgekozen als talent, dan krijg je een beurs en daarmee de vrijheid om aan eigen projecten te werken. Dat is natuurlijk fantastisch! Maar er is wel een keerzijde: de druk om iets te leveren en daarin succesvol te zijn is groot. En de beurs is tijdelijk. Het zijn mensen die weten waar ze aan beginnen, ze hebben die beurs niet zomaar gekregen. Maar ze worden gelanceerd in een heel precair systeem. 'Ze moeten succesvol, beschikbaar, zelfverzekerd zijn en vernieuwend blijven. Dat is een heel wit, patriarchaal en neoliberaal succesmodel. Over falen wordt niet of nauwelijks gesproken.’

Specifiek cultureel kapitaal

Het probleem is dat er weinig geld beschikbaar is en er veel mensen zijn die aanvragen. Alleen het topje van de ijsberg krijgt een beurs en de rest blijft grotendeels onzichtbaar. Wie komt binnen dit competitieve en precaire systeem in aanmerking voor een klim naar de top? Ter voorbereiding op het interview stuurt Te Velde het artikel The Entrance Gap. A Study Of Admissions Procedures At The Willem De Kooning Academy geschreven door Teana Boston-Mammah. In 2014 en 2015 deed de socioloog en docent Boston-Mammah onderzoek naar de praktijk van de toelatingsprocedure van de Willem de Kooning Academie. Aanleiding was de constatering dat de samenstelling van de studentenpopulatie van de Rotterdamse kunstacademie in de verste verte niet overeenkwam met de samenstelling van de schoolverlaters in deze stad. De academie wilde daar graag verandering in aanbrengen, maar hoe doe je dat? Het toelatingsbeleid was er immers al gericht op het zo objectief mogelijk selecteren van aankomende studenten. Dat deed het docententeam aan de hand van een drietal officiële criteria: authenticiteit, kleurgebruik in vorm en materiaal, en visuele verbeelding. Uit de interviews die Boston-Mammah met de docenten hield bleek echter dat zij een heleboel meer aspecten in hun beoordeling van de studenten mee lieten wegen: nieuwsgierigheid, durf, talent, gedrevenheid, originaliteit, een kritische houding, het vermogen zich goed te kunnen uiten, sociale vaardigheden, kennis van de kunstwereld en nog zo meer. Achterliggende criteria die duidelijk maakten dat de docenten op zoek waren naar studenten die beschikken over een specifiek cultureel kapitaal – en ook het romantische ideaal van de kunstenaar als individueel genie bleek nog aanwezig. Daarmee stonden aankomende studenten die vanuit hun etnische, maar ook culturele en sociale achtergrond veel minder beslagen ten ijs kwamen, meteen op achterstand.

‘Als ze wel door de selectie heenkomen krijgen studenten van kleur op de kunstacademie soms te horen dat hun werk te activistisch is of te letterlijk. Of docenten vallen stil omdat ze niet weten wat ze moeten zeggen over een onderwerp als racisme of onderdrukking.'

'Deze docenten zijn zelf opgevoed binnen een bepaald systeem en reproduceren wat ze kennen. Die heersende norm, en wie die bepaalt, wordt niet of te weinig bevraagd. Want wanneer heeft iets urgentie, wat is maatschappelijk relevant, wat is een sterk concept, of wanneer heeft een project kwaliteit? En moet alles vernieuwend en gelaagd zijn? Het ‘culturele veld’ is wat dat betreft erg naar binnen gekeerd.’

Ongeschreven regels en blinde vlekken

‘We kunnen de conclusies van het onderzoek van Boston-Mammah grotendeels doortrekken naar de ogenschijnlijk objectieve selectieprocedures van talent in de wereld van kunst, architectuur, design en digitale cultuur’, vermoedt Te Velde. ‘Dit artikel laat zien hoe lastig het al is om een creatieve opleiding te doen, maar als je er dan doorheen komt: Welk sociaal of cultureel kapitaal heb je nodig om jezelf en je creatieve talent te kunnen ontplooien binnen de huidige (beperkte) standaard? En welke materiele en financiële voorwaarden zijn daarvoor nodig? Hoeveel onbetaalde stages of buitenlandervaring heb je nodig op je cv? Wat voor vocabulaire of netwerk en welke sociale codes worden binnen deze wedloop geaccepteerd? En welke ongeschreven regels en blinde vlekken zijn er binnen het beoordelen? Een beetje anders, een beetje exotisch is oké, zolang je maar wel binnen dat ene model past.’

Om deze nog vaak onbewuste en onbesproken mechanismen te doorbreken is volgens haar een mate van bescheidenheid en extreme nieuwsgierigheid nodig. ‘Vooral nieuwsgierigheid mag je wel verwachten als het gaat om het beoordelen van creativiteit. Maar wij witte mensen hebben moeite met het bespreken en begrijpen van hoe onze eigen witheid als dominante norm onze blik vertroebelt. Witheid is de ‘unmarked marker’ zoals Boston-Mammah beschrijft, verwijzend naar de socioloog Ruth Frankenberg. Eeuwenlang is die witheid vakkundig en zorgvuldig enerzijds onzichtbaar en anderzijds tot superieure norm gemaakt. Dit zit diepgeworteld in allerlei patronen in ons ‘cultureel archief’ zoals emeritus hoogleraar Gender en Etniciteit Gloria Wekker beschrijft in Witte Onschuld (2018). Steeds meer witte mensen zijn zich hiervan bewust, maar het blijft een gevoelig onderwerp en maakt veel woede en schaamte los. Dit wordt ook wel ‘witte fragiliteit’ (Robin DiAngelo) genoemd. Dat het proces van erkenning rondom deze mechanismen zo traag is, is problematisch, omdat het publieke geld dat wordt uitgegeven binnen de culturele sector nog steeds – ondanks verhoogde aandacht en iets meer bewustwording – naar een groep mensen gaat die demografisch gezien geen afspiegeling is van de samenleving. Terwijl het toch de belastingcenten van iedereen zijn. Als er wordt gezegd dat talent iets is waar we gezamenlijk zorg voor moeten dragen, zoals de curatoren van de ‘Common Inn’ opperen, dan moeten we het nodig eens over het witte patriarchale succesmodel hebben. Maar een open call waarbij deelnemers zelf geld moeten betalen om hun werk te mogen laten zien past mijns inziens niet binnen het gedachtegoed van de commons. Wat mij betreft is dat opnieuw een bestendiging van het systeem.’

In de productvormgeving, waar haar eigen achtergrond ligt, spelen volgens Te Velde dezelfde dingen mee. ‘Het is een veld waarin het idee van innovatie, vernieuwing en jonge ontwerpers als agents of change zó dominant is. Een heel destructief model. Over het algemeen is de designwereld nogal gedepolitiseerd. Geen wonder, de oorsprong ligt in de industrie. Ook is het designcanon niet alleen heel erg wit, het is ook altijd heel erg middle en upper class geweest. En nog steeds zijn er veel ontwerpers bezig met onderwerpen waarvan ik nu denk: wat een luxe dat jij je met zoiets mag bezighouden! Maar ook: hoe klein is jouw wereld?’

Open staan voor werkelijke vernieuwing

Het belangrijkste pleidooi dat Te Velde wil houden, is om enerzijds na te denken over de beperkingen van het competitieve, precaire succesmodel en anderzijds, om dat witte privilege en de (voor)oordelen die daaruit voort komen tegen het licht te houden om zo onze definitie van wat talent is en wie talent heeft bij te stellen.

‘We missen vaak de bereidheid en gevoeligheid om eerlijk en open over deze vraagstukken te spreken. Het opengooien van deze discussie betekent dat je controle en macht weggeeft. We hebben nieuwe definities en voorwaarden nodig. Maar waarom zouden de ‘gatekeepers’ zich daaraan wagen?' Zij voelen zich hartstikke comfortabel en op hun plek. Liever mooi weer spelen met een ‘prachtige selectie’ van nieuw talent dan – ironisch genoeg – echte vernieuwing te onderzoeken. Maar ik hoop natuurlijk dat deze opmerking als aanmoediging wordt opgevat om dat wel te doen!’

Interview: Lotte Haagsma

Lees meer